Examen spraakverwerking, 19/06/2009 (eerste zit)
belangrijke opmerking: de formulering van de vragen is van mij, ik heb enkel wat sleutelwoordjes op mijn kladblad genoteerd. Als ge een vraag onduidelijk vindt is de kans dus groot dat het aan mij ligt, en niet aan de prof

1. Waarom heeft het geen nut om adaptieve PCM en log-PCM in cascade te plaatsen? (3 punten)
2. Teken het schema van een APC-coder. Welke eigenschappen moet de excitatie hebben (in het spectrale en het tijdsdomein)? Hoe wordt dit aangewend in CELP? (4 punten)
3. Wat zijn de problemen met naeve estimatie van trigramkansen (3 problemen)? Hoe worden de kansen voor niet vaak voorkomende trigrammen bepaald bij Kneser-Ney-uitsmering? Wat is de invloed van de vrije parameters op de eigenschappen van deze uitsmering? Waarop wordt gesteund om backoff-factoren te bepalen? (5 punten)
4. HMMs worden op twee manieren aangepast om betere resultaten te verkrijgen. Leg voor beide manieren het uit wat het doel van de aanpassingen is, en hoe dit gerealiseerd wordt. (4 punten)
(i) de gebruikelijke statistische spraakparameters worden aangevuld met dynamische parameters;
(ii) contextafhankelijke akoestische modellen voor fonemen.
5. Hoe kan men prosodie realiseren bij synthese d.m.v. een spraakproductiemodel wanneer er n exemplaar van elke akoestische basiseenheid (v.b. difonen) beschikbaar is?
Hoe kan men dit doen bij synthese via golfvormconcatenatie a.h.v. een gesegmenteerd corpus, wanneer er meerdere exemplaren van elke basiseenheid beschikbaar zijn? (4 punten)
Het was wat minder wiskundig getint dan ik verwacht had aan de hand van de vragen van 2007 en 2008. Maar het was goed te doen, uiteindelijk. Er wordt duidelijk wel verwacht dat alle leerstof even goed gekend is (dus niet te oppervlakkig leren).